De laatste weken waren, kerkelijk gezien, behoorlijk vol. Behalve de reguliere vieringen vond de opening van een tentoonstelling in de Immanuelkerk over het zendingswerk in Indonesië plaats aan de hand van schilderijen van inheemse christelijke schilders naast het beeld dat, via boekjes, gedurende de twintigste eeuw daarover in Nederland aan de schoolgaande jeugd werd gepresenteerd.

Er werd een vrijwilligersmaaltijd gehouden waaraan meer dan honderd mensen deelnamen, vanuit het gebouw vertrok en eindigde het Dwaallichtenfestival, er waren activiteiten voor de jeugd, een zwemfestijn, gezellige middagen voor Zeekant en op zaterdag 1 februari luisterde een bomvolle kerk naar Rosa Ligtermoet, die afstudeerde als sopraan met een klinkend concert, afwisselend ondersteund door mede-zangeressen en instrumentalisten. (Uitslag examen: “Uitmuntend”) Op donderdagavond kon je dan gelukkig even op adem komen bij het wekelijks avondgebed. Wie alles wilde bijwonen, kon bijna een slaapzakje uitrollen in de fietsenstalling, zoveel was er gaande.

Korstmos

Gelukkig kon ik afgelopen zondagmiddag, om wat tot rust te komen, deelnemen aan een excursie in de vrije natuur onder leiding van prof. dr. Flopke J. Cruickeplacker, verbonden aan de faculteit biologie van de Rijksuniversiteit Groningen en bij uitstek specialist op het gebied van korstmossen.
Vanaf een parkeerplaats ergens op de Utrechtse Heuvelrug trokken we met ons gezelschapje van twaalf personen, gewapend met loepjes en veldgidsen en voorzien van stevige laarzen en jagersjassen nieuwsgierig het struweel in. In de praktijk bleek het nog lastig de leptosome en ontzagwekkende gestalte van de hoogleraar op de voet te volgen. Al na enige minuten stortte hij zich ter aarde, onder het uitstoten van zeer specialistisch taalgebruik. “Endolitisch of endophloedisch?” mompelde hij. “Ah! Acarospora fuscata. En hier: alyxoria viridipruinosa! “
Wat niet bijzonder hielp was dat de benoemde soorten korstmos met het blote oog nauwelijks te onderscheiden waren, zodat wij met elkaar een menselijke, modderige kluwen vormden om toch maar vooral niets te missen van de natuurlijke voortreffelijkheden die we hier kregen voorgeschoteld.

Al na een uur was ons verzorgde gezelschap getransformeerd in een meelijwekkende verzameling individuen, met gebroken brillenpootjes, kapotte kleren vol groene mosvlekken, haren door de war en loepjes die onverklaarbaar waren zoekgeraakt tussen de wortels van eiken en spleten in essen. Eén dame, op zoek naar niet-gelicheniseerde ascomyceten, moest zelfs met enig geweld bevrijd worden uit de holte van een oude wilg. Wel kenden wij na ruim twee uur het verschil tussen het soredieus boomvoetknoopjeskorst en het vals kronkelheidestaartje, wisten we dat korstmossen altijd een symbiose waren van algen met een schimmel en iemand waagde zich zelfs aan een discussie met de prof (die wij inmiddels tutoyeerden) over de ultieme verschijningsvorm van het smalsporig boomglimschoteltje.

Toen het al bijna begon te schemeren bereikten we uiteindelijk weer de parkeerplaats, waar wij, alvorens in te stappen om moe maar voldaan eigen huis en douche te bereiken nog gewezen werden op de dove heidelucifer en het koraalblaadje. Voor de laatste keer knielden we in een kringetje, ditmaal in het toenemend duister, om ook deze laatste minuut niets te missen van de beide piepkleine groene mosjes. Waarmee de bijeenkomst toch nog een religieus tintje kreeg toen een passerende fietsende dame haar kroost vermanend toeriep: “Even stil jongens! Deze mensen zitten hier te bidden.”
Waarna wij stijf van de spierpijn in één van de twee busjes stapten en al na een minuutje in een droomloze slaap vielen.

Kiekvogel